skip to Main Content
Tussen Droom En Daad

Tussen droom en daad

De NBBU, de branchevereniging voor vooral kleinere en middelgrote uitzendbureaus en payrollers, viert dit jaar haar vijfentwintigste verjaardag. Van rebel naar relevante, volwassen polder-partner.
,,In tijden van veranderende en complexe wet- en regelgeving is een branchevereniging zoals de NBBU van onschatbare waarde,” schreef de NBBU bijna op z’n WC-Eends.
Maar ik ben het van harte met ze eens. De nu heel binnenkort in werking tredende Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) wierp z’n lange schaduw vooruit over het feestjaar van de NBBU. Dus was minister Koolmees, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), ook als spreker uitgenodigd voor het Jubileumcongres.

Arbeidsmarkt
In de video-opname die werd getoond, vertelde een behoorlijk soepel sprekende minister over zijn beeld van de ingrijpende ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Dat er veel hoogopgeleiden voor flex kiezen en zo optimaal kunnen profiteren van de mogelijkheden op de arbeidsmarkt, en dat veel lager opgeleiden, waaronder veel vakmensen, steeds meer de zekerheid en rechten van een vast contract en perspectief en pensioen en opleidingen moeten missen.
Dat jongeren, de Millennials, heel anders over werk denken en op zoek zijn naar een nieuwe balans tussen banen, leren en een lang, gevarieerd en enerverend leven. Dat de Commissie Borstlap al in haar tussenrapportage van afgelopen juni heeft gepleit voor een gelijk speelveld voor alle werkenden. Voor meer wendbaarheid in álle contracten, en voor veel ruimte voor duurzame inzetbaarheid en een leven lang leren. Na nog wat gelukswensen was het voorbij.

Sinds het voorjaar van 2016 groeit het aantal vaste contracten weer op de Nederlandse arbeidsmarkt. Sinds begin 2018 groeit het aantal vaste contracten zelfs sneller dan de flexschil. Sinds de zomer van 2018 is de werkloosheid lager dan 4%, dus onder de kraptegrens gezakt. Een kwart van alle werkgevers heeft belemmerend last van de krapte op de arbeidsmarkt. De groei van het aantal vaste contracten kwam daarom deze zomer zelfs op +4 procent uit – dat hoge groeitempo hadden we deze eeuw nog niet gezien. En het derde kwartaal van 2019 is de flexschil ‘dus’ met -1,6 procent gekrompen.

Koolmees wil meer vast en minder flex, hij wil de flexibilisering stoppen en keren, wel, de markt doet het werk al voor ‘m, al lang. Wéér – net als in de krapteperiodes van 1999-2001 en 2007-2008. Laten we ook nog even wat beter terugkijken naar de periode sinds eind 2008, toen de Grote Recessie uitbrak. Dan vallen een paar frappante zaken op. Ten eerste is er niet alleen sprake geweest van flexibilisering (bijna volledig in de dienstverlening en de publieke sectoren), er is ook sprake geweest van wat ik ontvasting ben gaan noemen. Met name in de industrie en de bouw is de werkgelegenheid flink gekrompen, met als gevolg dat daar flink wat vaste contracten – ongeveer een kwart miljoen! – zijn verdwenen.

Dat heeft vooral veel met verdergaande automatisering, offshoring en internationale concurrentie te maken. En dat waren vooral vaste contracten van laagopgeleiden. Bij laagopgeleiden is de flexschil inderdaad gegroeid van 25 naar 30 procent van de werkenden ouder dan 25 jaar, maar dat komt dus volledig (!) door de daling van de werkgelegenheid, ten koste van de vaste contracten.

Van de groei van het aantal flexwerkers ouder dan 25, van 1,6 miljoen tot 2,1 miljoen, is liefst driekwart bij de hoogopgeleiden terecht gekomen (en de rest bij de middelbaar opgeleiden). Bij hen is de flexschil bij 25plussers gegroeid van 22 tot 27 procent van de werkenden.

Van flex naar vast naar flex
In de 19e eeuw kwamen, met de 1e en de 2e Industriële Revolutie, de grootfabrieken op, waar kinderarbeid en uitzichtloze arbeidsomstandigheden de norm waren. De liberale democratie, het communisme en het socialisme zorgden in de loop van de 19e eeuw voor tegendruk, en aldus ontstonden het Kinderwetje van Van Houten (1874), het Arbeidsrecht, de Leerplicht (1900) en in 1907 de Wet op de Arbeidsovereenkomst.

Grootschalige fabrieken gingen tegelijkertijd op zoek naar standaardisatie, met de Scientific Management-methode, en zagen nu ook het nut van dat arbeidsrecht met z’n vaste contracten.

Dat contract voor onbepaalde tijd werd dus een garantie voor een productieve medewerker. Maar in de loop van de 20e eeuw wilden wij geen standaardproducten meer, maar variatie en diensten en belevingen.

En dus is standaardisatie nu weer uit, en flexibilisering broodnodig. Aan het einde van de 20e eeuw verscheen daarom de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (1999), die de flexibilisering niet wist te stoppen, maar wel wat civiliseerde. De Wet Werk en Zekerheid (2015) heeft de flexibilisering niet gestopt (wat wel, weet ik niet). De Wet op de Loondoorbetalinsgsverplichting bij ziekte (2004) heeft een flexplosie tot gevolg gehad – tussen 2004 en 2017 (Peak Flex) is de flexschil ontploft van 22 tot 35 procent van de werkenden tussen 15 en 75 jaar (met een relatief sterke groei onder jongeren).

Werkelijkheid
Dus nu volgt de WAB (2020). De grote, spannende vraag is nu: Wat gaat de WAB met de flexibilisering doen? En tegelijk: Wat gaat de WAB doen aan de onder digitaliseringsdruk verder krimpende werkgelegenheid in de industrie, in de bouw, en in de agrarische sector, de logistiek, en ook in de financiële dienstverlening, en in de detailhandel? In beroepen zoals administratief medewerkers, secretaresses, monteurs, verkoopmedewerkers detailhandel? Wat gaat de WAB doen aan de vergrijzing? Aan de na 2020 krimpende beroepsbevolking? Aan de stagnerende arbeidsparticipatie? Aan de stijgende specifieke niet-participatie? Ook belangrijk: wat gaat de WAB doen aan de stagnerende arbeidsproductiviteit?
Bezint eer gij begint.

Markt
Ik ben eigenlijk niet eens geïnteresseerd in de vraag of de WAB wel of niet gaat werken. Of gaat zorgen voor meer vast en minder flex. We zullen het nooit weten, want de markt zit er weer tussen.
De WAB is intens verspilde moeite. De WAB negeert álle belangrijke, fundamentele vraagstukken. En voortekenen van ‘Borstlap’ beloven niet veel beter.
Het lijkt te gaan over een herschikking van rechten en plichten die ‘eerlijker’ is en de huidige sociale voorzieningen financierbaar houdt dan over een poging om de zogeheten functionele flexibiliteit alsnog op de kaart te krijgen. Prima. Heel goed. Niks mis mee. Maar wat gaan we doen met de nieuwe, fundamenteel ingrijpende uitdagingen?

Back To Top