skip to Main Content

VERJARING EN VERVAL VAN VAKANTIEDAGEN

Uitzendkrachten bouwen vakantiedagen op, zoveel is duidelijk. Maar kan een uitzendkracht vakantiedagen ‘oppotten’? Hoe zit het met de verjaring en het verval van deze dagen? En wat is het verschil? Arbeidsrecht advocaat Lennard Noordzij (AMS Advocaten) bespreekt de kernelementen uit de wet en de cao’s van de bonden ABU en NBBU.
Wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen
Het aantal vakantiedagen waarop een werknemer, dus ook een uitzendkracht, minimaal recht heeft, bedraagt op grond van de wet viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Bij een fulltime dienstverband van vijf werkdagen is dat dus twintig vakantiedagen. Dit worden de ‘wettelijke vakantiedagen’ genoemd.
In een individuele arbeidsovereenkomst, personeelshandboek of cao worden vaak meer vakantiedagen toegekend. Deze dagen heten ‘bovenwettelijke vakantiedagen’. In de ABU-cao heeft een fulltime uitzendkracht – sinds 1 januari 2018 – recht op 25 vakantiedagen per jaar, in de NBBU-cao zijn dit er 24. Dit zijn dus vijf (ABU) en  vier (NBBU) bovenwettelijke vakantiedagen.
Verjaring en verval van vakantiedagen – de wet
Het onderscheid tussen bovenwettelijke en wettelijke vakantiedagen is van belang om te kunnen beoordelen tot wanneer een uitzendkracht nog aanspraak kan maken op zijn vakantiedagen.
Wettelijke vakantiedagen vervallen een half jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven. Tenzij de uitzendkracht tot aan dat tijdstip redelijkerwijs – bijvoorbeeld bij ernstige ziekte – niet in staat is geweest vakantie op te nemen. Wettelijke vakantiedagen opgebouwd in 2018 vervallen dus per 1 juli 2019. Bovenwettelijke vakantiedagen verjaren vijf  jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. Bovenwettelijke vakantiedagen opgebouwd in 2018 verjaren dus per 1 januari 2024.
Verval van vakantiedagen – afwijkingen in de ABU en NBBU
Tijdens fase A en B geldt bij de ABU ook dat de aanspraak op wettelijke vakantiedagen na een half jaar vervalt maar bij fase C wordt ervan afgeweken en gebeurt dat pas vijf jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. De NBBU cao wijkt voor alle uitzendkrachten af: wettelijke vakantiedagen vervallen pas na twaalf maanden.
Opname vakantiedagen
De vakantiedagen die het eerst vervallen – de oudste wettelijke vakantiedagen – worden het eerst opgemaakt door de uitzendkracht als hij een vakantiedag opneemt. Daarna worden van de bovenwettelijke vakantiedagen de oudste aanspraken het eerste opgemaakt.
Verjaring en verval
Het juridische verschil tussen verjaring en verval is groot. Een verjaringstermijn kan worden uitgesteld, een vervaltermijn niet. Geeft een uitzendkracht na vier jaar en elf maanden aan dat hij aanspraak blijft maken op zijn bovenwettelijke vakantiedagen die hij opbouwde in die periode, dan start de verjaringstermijn van vijf jaren opnieuw en blijven deze vakantiedagen verschuldigd.
Bij wettelijke vakantiedagen kan dit niet. Te laat is te laat. Als een uitzendkracht zijn wettelijke vakantiedagen niet binnen de termijn van zes maanden, of twaalf maanden bij de NBBU, na het opbouwjaar opneemt, heeft hij pech. Hij kan dan niet langer aanspraak maken – dus ook niet bij de rechter – op deze dagen, omdat deze zijn vervallen.
Lennard Noordzij is advocaat bij AMS advocaten en staat (internationale) cliënten bij met advies, in onderhandelingen en gerechtelijke procedures. Hij is gespecialiseerd in het arbeidsrecht. 

Back To Top